Onderzoeksprojecten

In 2014 zijn de succesvolle N=N pilots opgevolgd door een vierjarig onderzoeksprogramma naar onderwijskwaliteit en studiesucces. Vier promovendi doen onderzoek in het kader van deze onderzoeksagenda. Onderzoeksvragen die aan bod komen betreffen o.a. de kwaliteit van het compensatoir toetsen en studiesucces in relatie tot kleinschalig en activerend onderwijs.

Rob Kickert

Het effect van N=N op studieprestaties, motivatie en studentkenmerken

Rob Kickert 50x50Rob Kickert onderzoekt of studenten op uiteenlopende opleidingen onder N=N verschillen ten opzichte van studenten onder het oude, traditionele toetsingssysteem. Allereerst kunnen dit verschillen zijn in studieprestaties, zowel wat betreft de behaalde cijfers als qua het aantal studiepunten. Daarnaast onderzoekt Kickert wat de verschillen zijn in motivatie, studeergedrag en studentkenmerken, om zodoende te doorgronden wat een wijziging van toetsingssysteem met de studenten doet. De belangrijkste vraag is daarbij of N=N studenten motiveert om harder en beter te studeren. Deze resultaten kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van leer- en toetsomgevingen die studenten optimaal in staat stellen om hun potentieel te tonen.

Matthijs Oosterveen

De rol van noncognitieve vaardigheden bij studieprestaties

Matthijs Oosterveen 50x50Matthijs Oosterveen promoveert bij Erasmus School of Economics. Zijn eerste onderzoeksresultaten tonen aan dat naast cognitieve vaardigheden, ook motivatie van belang is om een hoog cijfer te halen op toetsen. In zijn onderzoek heeft hij de Pisa-test ontleed in twee componenten: de prestatie aan het begin van de test en een prestatiedaling. De beginprestatie kan geïnterpreteerd worden als een meting voor cognitieve vaardigheden. De prestatiedaling wordt geassocieerd met noncognitieve vaardigheden, zoals motivatie. In menselijk kapitaal modellen worden beide componenten geassocieerd met economische groei. Dit suggereert dat ook noncognitieve vaardigheden belangrijk zijn voor het verklaren van de relatie tussen testscores en economische groei.

Marit Wijnen

Effectiviteit van Probleemgestuurd Onderwijs binnen de Erasmus School of Law

Marit WijnenMarit Wijnen onderzoekt de effectiviteit van probleemgestuurd onderwijs (PGO) bij de Erasmus School of Law. In een eerste studie onderzocht zij het verschil in leerstrategieën tussen studenten in het PGO-systeem en studenten in traditioneel onderwijs. Resultaten laten zien dat rechtenstudenten in het PGO-systeem meer diepe verwerking (e.g. verbanden tussen concepten leggen), meer zelfregulatie (e.g. verantwoordelijkheid nemen voor eigen leerproces), maar ook meer externe regulatie (e.g. zich afhankelijk opstellen van externe factoren zoals docent) rapporteren. Diepe verwerking en zelfregulatie worden beschouwd als effectieve leerstrategieën. Een tweede studie naar motivatie toont aan dat PGO studenten niet verschillen van studenten uit traditioneel onderwijs in type motivatie. PGO studenten ervaren wel meer verbondenheid doordat zij onderwijs in kleine groepen aangeboden krijgen. Uit theorie blijkt dat verbondenheid bijdraagt aan een verlaagde drop-out rate.

Iris Yocarini

Accuraatheid van de BSA beslissing binnen het compensatoir toetssysteem

Yocarini 50x50Iris Yocarini onderzoekt de accuraatheid van de BSA beslissing wanneer deze (deels) is gebaseerd op het gemiddelde cijfer. De nadruk ligt op de vraag of er meer of minder beslisfouten gemaakt worden, zoals het onterecht toekennen van een positief of negatief BSA, wanneer studenten toetsen mogen compenseren. Eerste resultaten tonen aan dat het vereiste gemiddelde cijfer (het zogenaamde compensatoire aspect van de beslissing), het minimale vereiste cijfer (het zogenaamde conjunctieve aspect), en de specifieke combinatie van beiden de nauwkeurigheid van de BSA beslissing bepalen. Over het algemeen is de false negative rate binnen een compensatoir toetsingssysteem lager en de false positive rate hoger vergeleken met een traditioneel conjunctief toetsingssysteem. Verder tonen de resultaten aan dat de nauwkeurigheid van de beslissing afhankelijk is van de gemiddelde betrouwbaarheid van de toets, de gemiddelde correlatie tussen de toetsen en het aantal herkansingen dat is toegestaan. Deze resultaten tonen aan dat zowel de specifieke beslisregels als de geselecteerde toetsen van belang zijn.

De onderzoeksprojecten die verbonden zijn aan Erasmus Education Research maken gebruik van de Erasmus Education Reseach database.

Advertenties