Onderzoeksagenda Onderwijskwaliteit & Studiesucces

Invoering Nominaal is Normaal (N=N)

In 2011 voerde de Erasmus Universiteit Rotterdam de onderwijsherziening Nominaal is Normaal (N = N) in. Het belangrijkste doel van de invoering was om uitstelgedrag en daarmee onnodige uitval van studenten tegen te gaan. Nominaal is Normaal beperkt zich daarbij uitdrukkelijk niet tot een wijziging van het toetssysteem alleen. Het betreft een integraal pakket aan kwaliteitsinterventies die over de volle breedte van het onderwijs zijn doorgevoerd en die er gezamenlijk toe moeten leiden dat studenten efficiënt en regelmatig studeren.

Aan faculteiten waar dat nog niet of onvoldoende het geval was, werden kleinschalige activerende onderwijsvormen ingevoerd die het mogelijk maken om het leerproces van de individuele student te monitoren en te ondersteunen.

Bij de invoering van Nominaal is Normaal werd het systeem van toetsing grondig gewijzigd. De EUR ziet het toetssysteem als een instrument dat het studiegedrag van studenten in belangrijke mate stuurt. Om die reden moet het als integraal onderdeel van het didactisch concept van de opleiding worden gezien. Drie ingrijpende wijzigingen moesten ervoor zorgen dat studenten werden uitgedaagd om alle studiepunten van het studiejaar te halen en op elke toets een zo goed mogelijke prestatie te leveren. Ten eerste werd de BSA norm verhoogd van (meestal) 40 naar 60 ECT. Voorts werd het aantal herkansingen drastisch teruggebracht. Tot slot werd in de plaats van één of meerdere herkansingen voor elke toets, compensatoir toetsen ingevoerd. Daarbij mogen onvoldoendes op vakken binnen zekere grenzen gecompenseerd worden met hogere cijfers op andere vakken.

Pilot evaluatie

Tijdens en na afloop van de pilot rapporteerde het EUR onderzoeksinstituut Risbo in opdracht van het College van Bestuur regelmatig over de voortgang. Ondanks de gedegen monitoring en de gerealiseerde doelen, bleken er na afloop van de pilot nog een aantal relevante beleidsvraagstukken en wetenschappelijke vragen te zijn die die nader onderzocht moeten worden. Deze betreffen onder andere de door Risbo gesignaleerde correlaties tussen de introductie van N=N en de stijgende studentenaantallen en hogere rendementen. Ook de verschillen in opbrengst tussen deelnemende opleidingen, verschillende studenten (sub)populaties en de effecten van wijzigingen in het toetssysteem op het studiegedrag behoeven nader onderzoek.

Het CvB gaf daarop de Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) opdracht een meerjarig onderzoeksprogramma te ontwikkelen waarin deze vragen beantwoord worden. FSW identificeerde vijf centrale onderzoeksthema’s:

  1. Psychometrische kwaliteit van het BSA-oordeel;
  2. Het effect van het toetssysteem op het studiegedrag;
  3. Het effect van het toetssysteem op studieresultaten, kwaliteit instroom, doorstroom en niveau afgestudeerden;
  4. Het effect van het toetssysteem op het welbevinden van de student;
  5. Het effect van de invoering van een combinatie van kleinschalig activerend onderwijs (PGO) en N=N.

Voortgekomen onderzoeksprojecten

De vijf centrale thema’s zijn uitgewerkt in projectvoorstellen. Er is een aantal langlopende onderzoeksprojecten die in de vorm van AiO-projecten worden gerealiseerd. Vier promovendi beantwoorden in hun onderzoek een aantal van deze vragen. Daarnaast wordt er een aantal kortlopende onderzoeksprojecten gestart, bijvoorbeeld voor onderzoeksvragen die beantwoording behoeven om strategische besluiten te nemen ten aanzien van de inrichting van het toetssysteem.

Advertenties